<- Previous   First   Next ->

Bodem


Toen de Vecht nog een echte rivier was, werd er zand en zandige klei direct rondom de rivierloop afgezet waardoor een stevige wal ontstond in het zomige veengebied: de stroomrug. Net als overal in het rivierengebied was daarom direct aan de rivier een goede vestigingsplaats voorhanden. De ontginning van het veengebied werd vanuit de oeverwal ter hand genomen.

Deze noord-zuid gerichte structuur is bepalend, maar evenzeer is dat de opbouw in oost-west- richting. Vooral de oostzijde van de Vecht toont een karakteristieke overgang van rivier met oeverwal naar uitgestrekt veengebied (de latere plassen) dat overgaat in de Utrechtse Heuvelrug, uiteraard ook van oudsher een veilige en droge woonplek. De Utrechtse Heuvelrug is de leveran- cier van zeer schoon water maar maakt ook, dat het landschap van de Vechtstreek een bijzondere variatie op korte afstand kent.

Het gegeven van een oeverwal is langs vrijwel alle rivieren de reden, dat een verdichte zone de rivier scheidt van het open achterland. De vestiging van vele landgoederen en een reeks van dorpskernen heeft in het geval van de Vecht deze scheiding verhevigd. Zelfs in zo’n mate, dat de Vecht een op zichzelf staande ruimte is geworden met ‘doorzichten’ naar het open achterland. Uit de bodemkaart volgt, waarom dat in de noordelijke Vecht minder het geval is. Maar ook daar waren vroeger buitenplaatsen, die in de loop der tijd verdwenen zijn. Het contrast tussen een middendeel met landgoederen en een op zich staande ruimte en een noordelijk deel dat open in de veen- en kleipolders ligt is dus minder groot geweest.

84PAGE6.5_111102-72dpi26-00.jpg

in de omgeving van de Vecht: veengebieden

Indeling

26



<- Previous   First   Next ->